'Ach toe, Irene.' zegt Carlo met zijn liefste stem. Carlo heeft net een telegram gekregen met een razendspannende nieuwe opdracht:

Ga op zoek naar de parel van de woestijn..

Carlo heeft er wel zin in. 'Nee, beslist niet! Ik doe het niet. Ik heb geen zin in een nieuw avontuur!' stampvoet Irene. 'Irene.,' zingt Carlo, 'We gaan naar Marokko. Lekker weer. Strand. Leuke winkeltjes. Mooie mannen.' Irene krijgt een dromerige blik in haar ogen. Mooie mannen. 'Goed dan,' zucht ze. Had ze toen maar geweten waar ze aan begon.

Ver weg, ik nee paleis in Marokko kijkt een man naar Irene in zijn glazen bol. Het is Zoltar, de grootvizier van de Sultan. Naast hem zit een gedaante weggedoken in een cape. Als je een glimp van zijn gelaat zou kunnen zien, dan zou je vannacht niet kunnen slapen. Want deze man is een monster. Een griezel. Zijn naam is Addur. Zoltar bromt tegen Addur: 'Prima. Deze vrouw lijkt sprekend op prinses Serena. Die kunnen we uitstekend gebruiken voor mijn plan. Ik wil alles over haar weten!' Addur gromt en knikt.

Na een rustige vlucht komen Carlo & Irene aan bij een groot luxe hotel. Mmmmm. niet slecht, denkt Irene. Vlug pakt ze haar poederdoosje met spiegel. Mooie mannen. Achter haar duikt een figuur snel weg. Het is hetzelfde figuur dat hen al volgt vanaf het vliegtuig. De hotelkamer ziet er fantastisch uit. 'Geweldig Carlo!' Irene ploft op het zachte bed. 'Weet je wat,' zegt ze, 'ik neem eerst even lekker een bad, en dan zien we elkaar beneden in de hal!' Goed idee, knikt Carlo. Hij vertrekt naar zijn eigen kamer.
Als Irene even later opgefrist haar kleren uit haar koffer wil pakken, ziet ze nog net een vrouw in het wit wegglippen. 'Hallo!' roept Irene. 'U bent zeker de werkster?' De vrouw loopt snel weg. Irene haalt haar schouders op.

In het paleis van de Sultan spelen zich ondertussen hartverscheurende taferelen af. De Sultan zit luid snikkend op zijn bed. In zijn armen houdt hij het portret van zijn beeldschone vrouw.
'Mijn popje, mijn pareltje,' snikt hij. 'Waar ben je toch. Heb je me verlaten? Zeg Zoltar, waarom doe jij niets.' 'Ik doe alles wat ik kan, om uw vrouw te vinden majesteit. Maar eerst wilde ik even met u over staatszaken praten!' 'Staatszaken praten? Wie maalt er nu om staatszaken,' moppert de Sultan. 'Ik majesteit. Alle speelgoedwinkels moeten verboden worden vindt u niet?' 'Speelgoedwinkels?' vraagt de Sultan verbaasd. 'Waarom? Die zijn toch leuk!'
'Ze moeten verboden worden majesteit,' zegt Zoltar terwijl hij de Sultan strak aankijkt. Zijn hypnotiserende blik heeft de Sultan in zijn macht.
'Speelgoedwinkels moeten dicht. Nu!' zegt de Sultan met een vlakke stem.

Tevreden loopt de Zoltar naar zijn kamer. Daar zit Addur. Hij had de vrouw in het wit opdracht gegeven het paspoort van Irene te stelen. 'En?' vraagt Zoltar. Met een trots gebaar toont Addur Zoltar het paspoort. Zoltar bekijkt de foto. 'Prachtig!' zegt hij.
'Hmmm. Irene Moors. Die ogen, die mond. Dat neusje. precies de verdwenen prinses Serena. Ik heb een plan. We ontvoeren deze Irene Moors. En dan laten we de Sultan denken dat zijn vrouw terug is, dan heeft de sukkel zijn hooft absoluut niet meer bij staatszaken. En dan grijp ik de macht. Ik, Zultar!' Gemeen grinnikend wrijft hij in zijn handen.

Met een rijtuigje vertrekken Carlo en Irene naar de stad. 'Wat gaan we nu eigenlijk doen?' vraagt Irene. 'We zijn op zoek naar de Parel van de woestijn, weet je wel!' 'Jahaaa, dat weet ik,' zegt Irene, 'maar wat gaan we nu doen in de stad?'
'Ik ken een man die alles weet van parels. Misschien dat hij ons verder kan helpen.' 'Oh,' zegt Irene, 'misschien hebben ze dan ook een leuk kettinkje voor mij of zo!' Tevreden glimlachend kijkt ze voor zich uit.

Even later staan ze teleurgesteld midden in de kashba. 'Nou, we zijn geen stap verder,' zucht Irene. 'Die man weet alles over edelstenen, diamanten en parels en zo, maar over de Parel van de woestijn wist hij ons geen moer te vertellen. Zeg, Carlo, nu we hier toch zijn, kunnen we wel even gaan winkelen. Iets komen voor thuis, een leuk setje of iets leuks voor in mijn haar of zo?' Carlo zucht. Vooruit dan maar.

Ze dwalen door de kashba. Natuurlijk moet Irene overal aanzitten, en alles even passen. Bij een marktkraampje stuiten ze op een plat soort kastje, met deurtjes. Het kastje is beeldschoon versierd. 'Oh, beeldig,' zegt Irene, 'die wil ik hebben. Leuk voor thuis aan de muur. Wat kost hij meneer? Maar ik ga wel afdingen. Dat moet, zei mijn moeder.'

Terug in het hotel gaat Irene er eens rustig voor zitten. Ze bekijkt het kastje van alle kanten. Wat is het mooi. Het lijkt wel echt goud. Maar dat zal wel niet. Voor die prijs. Ze maakt voorzichtig de deurtjes open.

'Oh,' gilt ze dan. Geschrokken doet ze de deurtjes meteen weer dicht. 'Ca - Ca - Ca - Carlo!' 'Watizzer? Watizzer?' doet Carlo verschrikt.
'Oh Carlo,' huilt Irene. 'Er zit iemand in die spiegel.'
'Irene?' vraagt Carlo streng. 'Heb je een glaasje teveel op? Teveel likeurtjes?'
'Oh, nee, Carlo, alsjeblieft. Het is echt waar. Er zit een vrouw in een roze jurk in. Hier, kijk zelf maar!' Grinnikend buigt Carlo zich over de spiegel. Die Irene, helemaal in de war.

'Het is waar!' mompelt Carlo. Inderdaad. Er zit een vrouw in de spiegel. Een nogal dikke vrouw. In een opzichtige paarse jurk. 'Hallo jongens!' kirt de vrouw. 'Zal ik eruit komen?' En floeps! Ze wipt uit de spiegel. 'WAUW!' roepen Carlo en Irene.
'B-b-ben jij een geest?' vraagt Carlo.
'Nee, nee, nee, jongens,' zegt de vrouw. 'Geesten zitten in flessen. Ik ben een fee. Fatima is de naam. Ik ben de redder in nood bij kommer en kwel. En wie ben jij?' Verliefd kijkt ze naar Carlo. 'Wij zijn Carlo en Irene en we zijn op zoek naar de Parel van de woestijn,' zegt Irene ferm. 'Ja,' zegt Carlo, 'weet u daar misschien iets meer van?'
'Ik weet alles van sieraden natuurlijk,' glimlacht de taart in de paarse jurk. 'Maar een Parel van de woestijn, nee, die ken ik niet.'

'Kunt u toveren?' vraagt Carlo. 'Toveren? Ja, natuurlijk kan ik toveren. Wat denk je wel! Ik ben niet voor niets een fee. Zeg, maar het is tijd voor mijn middagdutje. Ik ga terug in mijn spiegel. Als er kommer en kwel is, dan hoef je alleen maar de deurtjes van de spiegel open te doen.' En Fatima tjoept terug in de spiegel. Carlo en Irene kijken elkaar aan. 'Kan best handig zijn zo'n fee,' zegt Carlo.

De volgende ochtend besluiten Carlo en Irene het anders aan te pakken.
'Irene,' zegt Carlo, 'we zijn nu al dagen op zoek naar een parel. Zonder dat we iets gevonden hebben. Noppes. Nul. Nada. Daarom gaan we het nu anders aanpakken. We zijn op zoek naar de Parel van de woestijn. Daarom gaan we naar de woestijn. Ik heb een sportvliegtuigje gehuurd.' 'Ik heb hoogtevrees!' piept Irene. Carlo duwt de tegenstribbelende Irene naar een vliegtuigje dat al klaarstaat. Eenmaal in de lucht komt Irene langzaam tot rust. Toch wel geweldig zo'n privé vliegtuigje.

Even later geeft Carlo de opdracht om te langen. Zachtjes landen ze op het warme zand. 'Zo,' zegt Carlo. 'Als dit geen woestijn is, dan weet ik het niet meer. Overal zand, zand en nog een zand. Geen oase te zien.' Hij stapt uit. Irene wil hem volgen. Dan opeens voelt ze een harige arm om haar nek. Het is de piloot! Hij trekt haar terug in het vliegtuig! 'Carlo, help me!' gilt ze. 'HELP!'
De piloot start de motor. Carlo draait zich om, begint te rennen. Maar voordat hij het weet is het vliegtuigje opgetrokken en vliegt weg. Daar gaat Irene. Ontvoerd. En Carlo staat in de woestijn. Alleen. Zonder water. En om hem heen zand, zand, niets dan zand.

Urenlang strompelt Carlo door de bloedhete woestijn. Weerheen? Geen idee. Waarschijnlijk is hij al die tijd rondjes aan het lopen. Hij denkt aan Irene. Waar zou ze zijn? Zou hij haar ooit nog terug zien? Dorst. Verschrikkelijke dorst. Carlo likt aan zijn lippen. Hij moet hier weg. Fatima. Was Fatima maar hier. Dan hoort hij: 'Hallo!' Hij kijkt om. Fatima! Nee, dan kan niet. 'Ga weg,' roept hij. 'Je bent er niet. Je bent een Fata Morgana!' De Fata Morgana komt dichterbij. 'Is er kommer en kwel?'
'Fatima! Je bent het echt! Ik ben gered! Vlug, tover een vliegtuigje, of een auto.' 'Vliegtuigje? Auto? Nee, die kennen we in mijn tijd niet. ' Maar wat vind je hiervan?' Ze zwaait met haar hand. en als bij toverslag verschijnen er twee kamelen met een begeleider. 'Iets is beter dan niets,' zegt Carlo terwijl de kamelen door de knieën gaan om hem op zijn rug te laten. Daar gaan ze, op hun schommelende schip der woestijn.

In het paleis ontwaakt Irene, doordat Zoltar ruw de gordijnen van haar slaapkamer opendoet. 'Goede morgen prinses Serena,' glimlacht hij akelig.
'Serena? Prinses? Ik ben Irene. Wat doe ik hier? Wie bent u?'
Onverstoorbaar zegt Zoltar: 'We zijn blij dat u weer terug bent, prinses Serena. De sultan heeft u erg gemist. Hij verheugt zich erop u weer te zien. U moet er dan natuurlijk wel leuk uitzien. Hier zijn uw kleren.' En Zoltar verdwijnt weer, Irene verbijsterend achterlatend. Ze bekijkt de kleren. Ze zijn wel mooi. Exotisch. Ze besluit ze maar aan te trekken.

Een licht klop op de deur. Zoltar komt binnen. Goedkeurend bekijkt hij haar van top tot teen. 'Hmmmm.' zegt hij. 'U ziet er prachtig uit, prinses Serena. Beeldschoon. Uw echtgenoot de Sultan zal verrukt zijn. Komt u maar mee.'
'Echtgenoot? Sultan? Man, waar heb je het over. Ik ben gewoon ontvoerd!' roept Irene terwijl ze achter hem aanloopt. Dan hoort ze Oosterse klanken. Muziek. Met een sierlijke buiging laat Zoltar Irene voorgaan.
Dan zegt hij: 'Majesteit, mag ik uw aandacht. Uw echtgenote prinses Serena.' 'Oh, oh, oh. mijn popje, mijn duifje, mijn pareltje,' kirt de Sultan. 'Mijn Serena. Maar je haar zit helemaal anders. Maar je bent het wel. Serenaatje. Laat me je voeten koezen, je vingertopjes strelen.' Irene kijkt de Sultan aan. Hij lijkt wel een beetje op Carlo. 'Carlo, ben jij het?' vraagt ze.
'Carlo?' zegt de Sultan. 'Ach mijn pareltje, je bent helemaal in de war.'
'Majesteit,' zegt Zoltar. 'Mag ik even aandacht voor staatszaken?'

'Niets staatszaken, ik heb net mijn teerbeminde vrouw teruggevonden.'
'Majesteit.' Zoltar blijft aandringen. 'Het gaat om mijn beloning. Als ik uw vrouw zou vinden zou ik uw rijk krijgen. Krijg ik nu uw rijk?'
'Ach ja natuurlijk. Wat kan mij dat nou schelen. Neem het. Maar ik wil wel genoeg geld overhouden om gezellig te blijven leven met mijn popje. Met een zwembadje en zo.' 'Vanzelfsprekend Majesteit!' zegt Zoltar tevreden.
De Sultan kijkt weer naar Irene: 'Zo dat is dan geregeld, mijn popje, mijn duifje, mijn snoetje, mijn snuitje.' Gelaten laat Irene alles gebeuren. Ze kan maar beter even meespelen. Dat geeft Carlo de tijd om haar te redden.

Intussen loopt Carlo niet zo hard. Hij is razend op Fatima.
'Had je niet meteen kunnen zeggen dat getoverde kamelen maar beperkt houdbaar zijn!' roept hij. 'Zit ik net lekker te schommelen op dat dier, floep is ie weg. Zit ik met mijn billen op het hete zand. Weg kameel. Wat ben jij voor een fee!'
Fatima giechelt: 'Nou ik vond het al een hele kunst voor een fee als ik. We hebben toch lekker een tijdje gereden, op die kamelen.'
'Irene,' gromt Carlo. 'Ik wil weten waar Irene is.'
'Dat kan,' zegt Fatima. Plots heeft ze een spiegel in haar handen. 'Oh, dit is toch zo'n heerlijk handig ding.' Ze doet de deurtjes open. 'Eens even kijken, Irene.' Ze buiten zich allebei naar de spiegel. en daar zien ze Irene in het spiegelglas. Ze is gekleed in een Oosters gewaad en ze zit op een hele stapel kussens druiven te eten.
'Zij wel,' zegt Fatima venijnig. 'Ze is in het paleis van de Sultan.' 'Er op af!' roept Carlo.

Na een urenlange wandeling komen Carlo en Fatima bij het paleis. Ze zijn moe en hongerig. De poort van het kasteel is dicht. Potdicht.
'Fatima, wat doen we nu? Kan jij die poort niet even open toveren of zo?' 'Nou, nee, denk ik,' zegt Fatima met een klein stemmetje. 'Ik bedoel, ik heb het nog nooit gedaan en.'
'Fatima,' zegt Carlo boos, 'Weet je wat jij bent? Jij bent, sorry dat ik het zeg, jij bent een toffeefee. Dat ben je. Zo!'
Huilerig zwaait Fatima met haar toverstokje. 'Toe nou, ik doe toch mijn best. Goed, omdat jij het bent.' Ze slaat een keer ferm met haar toverstok; de poort zwaait open.

Het volgende probleem zijn de bewakers. Gelukkig herinnert Carlo zich een paar judogrepen; tot grote bewondering van Fatima schakelt hij de bewakers in een paar tellen uit. Dan begint de zoektocht naar Irene. Verdwaasd dwalen ze door de gangen van het paleis. Ze kijken stiekem de kamers binnen.

Opeens horen ze licht gesnurk. 'Irene!' fluistert Carlo verrukt. Voorzichtig maken ze de deur open. Irene schrikt wakker. 'CARLO!' roept ze dolgelukkig. De twee vallen elkaar in de armen. Huilend vertelt Irene haar verhaal.
'Kindje toch,' zet de fee hoofdschuddend. 'Wat heb jij veel meegemaakt!'
'Ja hè,' huilt Irene. Opeens horen ze voetstappen op de trap.
'Zoltar!' roept Irene verschrikt. 'Vlug! Verstop je!' Fatima en Carlo duiken achter de deur. Zoltar kijkt streng. 'Ik wil maar één ding zeggen, prinses. Er zijn bewakers neergeslagen. Dat is geen goed teken. Daarom zeg ik u, dat het paleis extra goed wordt bewaakt met tijgers, poema's, slangen en de hele mikmak. Er komt geen mens meer in of uit. Welterusten, prinses!' En hij sluit de deur achter zich. 'Mooi boel,' zegt Carlo.

'Carlo,' zegt Irene huilerig. 'Ik ben moe. En ik vind het eng, met al die beesten buiten. Laten we er een nachtje over slapen, please?'
'Dat vind ik een goed idee,' zegt Carlo. Ze duiken beide in het grote hemelbed. Een minuut later zijn ze vertrokken. Naar Dromenland. Fatima tjoept in haar spiegel.

De volgende ochtend ziet alles er iets zonniger uit. Hoewel? De tuin zit vol met wrede, bloeddorstige dieren. En die arme Sultan.
'We moeten hem helpen!' vind Irene. 'Die Zoltar is een griebel. Weet je, de Sultan lijkt ontzettend veel op jou. Daarom vond ik hem ook zo aardig,' snuift Irene verlegen. 'Ik heb een plan. Als jij nou ook eens Oosterse kleren aan doet? Wie weet, is dat een goed idee.' Mopperend kleedt Carlo zich om. Verrek. Hij lijkt echt sprekend op de Sultan.

De Sultan slaapt. Lief, met zijn duim in de mond. 'Sultan,' kweelt Irene.
'HUH? WAT?' verdwaasd wordt de Sultan wakker. 'Ik lag net lekker te slapen!'
Dan ziet hij Carlo. En Carlo ziet hem. 'Niet te geloven.' stamelt Carlo.
'Ongelofelijk.' doet de Sultan.

Allebei zijn ze zeer onder de indruk van hun gelijkenis. 'Je lijkt ik wel!' zegt de Sultan. Terwijl Carlo en de Sultan naar elkaar staren, neemt Irene het heft in handen. Ze legt het hele verhaal uit.
'Ik ben dus niet Serena maar Irene! En ik ben met Carlo op zoek naar de Parel van de woestijn!'
'Maar schatje, mijn vrouw is de Parel van de woestijn!' giechelt de Sultan.
Irene kijkt hem aan: 'Je bedoelt dus dat de prinses de Parel van de woestijn is?'
'Ja natuurlijk!' zegt de Sultan. 'Mijn pareltje.'
'Maar dat verklaart een heleboel. Carlo, hoor je dat?'
'Uh, jaaaaah,' zegt Carlo, die nog steeds naar de Sultan staart.
'Enne.,' zegt Irene. 'Die Zoltar van u, die is niet in de haak. Dat is een gemene man die uw rijk wil afpakken.'
'Zoltar? Je hebt het mis,' schaterde de Sultan. 'Zoltar is geweldig! Jullie zijn zeurpieten! Domoren! Sukkels! Nou, ik ben weg hoor! Even plassen.' En neuriënd verdwijnt de Sultan.

'Verdorie! Hij heeft geen idee,' verzucht Irene. 'Fatima, kun jij opzoeken waar prinses Serena nu is?'
'Uhhhh. Prinses Serena,' zegt Fatima. 'Kom spiegel, laat haar zien!'
Irene, Carlo en Fatima buiten zich over de spiegel. En ja, daar zien ze prinses Serena. 'Ze lijkt precies op mij, maar dan met lang haar,' fluistert Irene.

In de spiegel zien ze Serena bij een zwembad. Naast haar een mooie man. Een soort playboy.
'Oh, wat ben ik nu gelukkig,' horen ze haar zeggen. 'Je moet weten,' zegt ze tegen de playboy, 'ik was de vrouw van een Sultan. Hij keek nooit naar me om. Toen ben ik maar weggegaan. Met drie miljoen gulden. Hmmmm. En ik wil nooit meer terug!'
Fatima doet de spiegel dicht. Carlo en Irene kijken elkaar aan.
'Dat is duidelijk,' mompelt Carlo. 'Die komt niet meer terug.'

'We moeten een plan bedenken!' zegt Irene. 'Een oplossing. Om de Sultan te redden, en hier uit te komen. Maar wat!' Ze krabben op hun hoofd. IJsberen door de kamer. Een plan. Maar wat.
'Problemen?' Een snerpende stem klinkt door de ruimte. 'Zoltar! Ik ben de politie. Enge man!' roept Irene verschrikt. Ze pakt de telefoon.
'Politie? Niets politie. Sukkels! Ik vervloek jullie naar de Kelder van de Eeuwigheid!' roept hij. 'Ik heb de macht!'

FLITS! Daar zitten ze dan. In de Kelder van de Eeuwigheid. Het is er koud. Klam. Maar vooral: aardedonker. 'Fatima, doe iets!' fluistert Irene. 'Ik kan niet tóveren.' Wanhopig zwaait Fatima met haar handen. Opeens heeft ze een brandende fakkel in haar handen. 'Hmm.,' zegt ze. 'Dat vind ik nou knap van mezelf. Hoe ik het deed? Geen idee!'

'Geweldig!' zegt Carlo. 'Maar de volgende vraag is: Hoe komen we hier uit!' 'Ik heb wel een nagelvijltje,' zegt Irene. 'In films.'
Carlo kijkt haar venijnig aan.
'Fatima, laat zien dat je geen toffeefee bent! Haal ons hier uit. Je hebt ervoor geleerd!' 'Ik heb er helemaal niet voor geleerd,' snikt Fatima. 'Mijn zus, Fabiola heeft ervoor geleerd!' 'Kun je haar dan niet oproepen of zo,' zegt Irene. 'Weet je wat? Ik heb een telefoon, die had ik nog in mijn hand.'
'Dat zal niet gaan,' zegt Carlo. 'De telefoondraad is afgebroken.'
'Jawel, dat kan ze wel,' zegt Irene ferm.
'Hallo Fabiola? Met mij. Ik zit hier gevangen. Wat? Gaan ze scheiden? Vertel!'
'Ho!' bromt Carlo. 'Vraag verdorie of ze hier komt. Wij zijn in nood.'
Tjoeps! Opeens staat er een dikke donkerharige fee voor ze.
'Goed, goed,' zegt deze fee. 'Vertel maar. Suffe zus!'
'We willen hier weg!' zegt Irene kordaat. 'Weg. Terug naar het paleis.'
'Klik twee keer met je hakken,' gaapt de fee Fabiola verveeld.

In een flits zijn ze terug in het paleis. In de salon vinden ze de Sultan, in diepe slaap. 'We moeten hem alles uitleggen,' zegt Irene. 'Langzaam en duidelijk. Want volgens mij is hij niet al te snugger.' Irene vertelt de Sultan dat zijn vrouw Serena echt niet terug zal komen. De Sultan barst prompt in huilen uit. En dat Zoltar beslist niet te vertrouwen was. En dat ze een plan moesten bedenken om van de gemenerik af te komen. Maar wat?

Opeens zegt Fatima: 'Weet je, zo'n buitenaards type als Zoltar. kan meestal niet tegen water. Daar krimpen ze van. Ze verschrompelen!'
'Wat!' zegt Irene. 'Waarom heb je dat niet eerder gezegd! Dan is dat de oplossing! Weet je wat? Carlo, trek de kleren van de Sultan aan. Dan doen wij net alsof we Serena en de Sultan zijn. Wedden dat hij daar behoorlijk van in de war raakt?'

Met de kleren van de Sultan aan roept Carlo heel bekakt: 'Zultar! ZULTAR!'
'U riep mij, Majesteit?' 'Ja Zoltar, ouwe gek. Je bent me toch eigenlijk een sukkel ook. Vind je niet?' Verbijsterd kijkt Zoltar Carlo aan. Is de Sultan soms gek geworden?

'Oh, daar heb je Serena' roept Carlo uit. 'Oh pareltje, ik ben zo blij dat je weer terug bent.' 'Ik ben ook zo gelukkig,' zegt Irene. 'Glaasje water, Zoltar?' 'Uh, nee, dank je,' doet Zoltar. Irene geeft het glas water aan Carlo. 'Ja,' zegt Carlo. 'Serena is gisteren teruggekomen. Dus nu vraag ik me af wie die andere blonde vrouw is. Er gebeuren zulke rare dingen hier. Allemaal bewaking in de tuin. Waarom? Je doet toch geen gekke dingen hè, Zoltar. Je vergeet toch niet dat ik de baas ben, Zoltar. Ik ben de baas, en jij bent een niksje!'

Op dat moment wordt de spanning de echte Sultan te groot. Hij komt uit zijn schuilplaats, in zijn onderbroek. 'Ja Zoltar,' roept hij. 'Dat zijn de feiten! Nu sta je met je mond vol tanden.'
Zoltar kijkt van Carlo naar de Sultan en van de Sultan naar Carlo.
'Maar als dat de Sultan is, dan zijn jullie Carlo en Irene!' roept hij dan. Hij slaat het glas uit Carlo's handen en staat klaar om een vreselijke vloek uit te spreken.

Op dat moment rent Fatima naar voren met een glas water in haar handen. Ze geeft het aan Irene en SPLASH! Irene plenst het water in het gezicht van de woedende Zoltar.

Vóór hun ogen zien ze hem verschrompelen. Klein, kleiner, kleinst.
'Pas op Carlo, straks loopt hij weg!' Met één gebaar pakt Carlo de mini Zoltar en stopt hem in de spiegel. Deurtjes dicht. Zo. Voorgoed opgesloten. Pfffffff.

Irene zucht: 'Wat een avontuur! Nou Carlo, als je nog eens wat weet!'
'Mijn popje, mijn pareltje.' doet Carlo.
'Als je maar weet dat ik dát nooit meer wil horen! Want.'
Opeens horen ze achter zich gekir en gegiechel.
'Hap dan Sultannetje. Snoesje. Lekker ding!' Het is Fatima. Ze is de Sultan druiven aan het voeren.
'Nou, zo te horen zit het wel goed met het liefdesverdriet van de Sultan,' grinnikt Carlo. 'Weet je Ireen, wij pakken het vliegtuig. Terug naar huis.'
'Even mijn lippen stiften,' zegt Irene. 'Je weet nooit wie je tegenkomt. Piloten en zo!'
Carlo grinnikt tevreden. Die Irene. Die blijft altijd dezelfde.